Onderweg
Hij is moe van het fietsen. Het valt hem toch een beetje tegen. Het is kouder dan verwacht en hij heeft er niet aan gedacht om handschoenen aan te trekken. Mopperend fietst hij door. Hij had beter moeten weten. Het is immers al half-november en er is sneeuw voorspeld. Als hij een weiland passeert ziet hij hoe een kudde schapen in de luwte van een schuurtje dicht opeengepakt staat.
Misschien kan hij even een stop maken op één van de bankjes op het pleintje voor de oprijlaan van Kasteel Slangenburg. Daar is hij bijna en met een beetje geluk zit hij daar uit de wind. Kan hij mooi even uitrusten, de jaren beginnen toch ook bij hem te tellen. Hij merkt het als hij wind tegen heeft. Tegenwoordig schakelt hij een versnelling terug op zijn ouderwetse fiets. Waar hij vroeger nog het grote mes erop zette – zoals hij het zelf noemt – gebruikt hij de derde versnelling nog nauwelijks. Maar het vooruitzicht van het rustmoment geeft hem net het beetje energie om stug door te trappen.
Gelukkig, het bankje is vrij en ook nog eens droog. Hij parkeert zijn fiets zorgvuldig achter het bankje. Je moet zuinig zijn op je spullen en de omgeving, zo was hij nou eenmaal opgevoed. En met z’n 88 jaren krijgt hij dat ook niet meer veranderd. Opgelucht gaat hij zitten. Hij wrijft in zijn handen en blaast er met zijn adem wat warme lucht in.
De Ontmoeting
Vanaf de overkant van de weg, loopt een meisje met een energieke pas op hem af. Ze draagt een beige houtje-touwtje jas met opgenaaide zakken en grote capuchon. Met haar lichtblauwe ogen en stralende glimlach wenst ze hem een goedemorgen toe.
‘Wat een frisse ochtend zo hé?’ zegt het meisje en ze schudt een beetje met haar hoofd. ‘Dit hadden we even niet zien aankomen na afgelopen week met dat prachtige najaarsweer.’ Ze kijkt hem onderzoekend aan. ‘Zit u even uit te rusten of bent u de omgeving aan het bewonderen?’
Wat attent van dit meisje dat ze er even naar informeert, denkt hij verrast. Dat gebeurt tegenwoordig niet vaak meer. De meeste mensen zijn zo met zichzelf bezig dat ze in gedachten langs elkaar heen lopen, zonder zelfs maar te knikken, laat staan gedag te zeggen. En ze spreekt hem nog met u aan ook.
‘Nou, weet u, eigenlijk een beetje van beiden.’ zegt hij beleefd. ‘Sinds mijn vrouw is overleden fiets ik elke ochtend een rondje. Ongeacht het weer.’
Tot zijn grote verbazing neemt ze naast hem plaats op het bankje en vraagt hem geïnteresseerd of hij hier vaker komt. Verwondert over de tijd die zij hem schenkt vertelt hij hoe hij die ochtend vanuit zijn woonplaats Wehl door de bossen hiernaartoe is gefietst.
‘Het is prachtig zo met de rijp op de akkers en weilanden. En op de kleine vijver hierachter lag zelfs al een dun laagje ijs op het water.’
Wat blijft
Alsof hij het meisje al jaren kent begint hij te vertellen.
‘Als klein jongetje fietste ik hier elke dag samen met mijn vriendjes langs op weg naar school. En als we dan zagen dat er ijs lag stapten we steevast van onze fietsen om voorzichtig met onze voeten te voelen of je er al op kon staan.’ Zachtjes tikt hij met zijn voet op de grond.
‘Natuurlijk gingen we net zo lang door tot het ijslaagje brak. Zaten we de rest van de dag met koude voeten op school.’ Een glimlach krult om zijn lippen. Maar er bekruipt hem ook een verdrietig gevoel.
‘Door mijn hoge leeftijd heb ik mijn vrienden overleefd en ben ik alleen overgebleven. Dat is de keerzijde van ouder worden. Voor jou staat het gelukkig nog wat verder van je bed. Jij hebt nog een heel leven voor je.’
‘Ach.’ glimlacht ze en legt kort haar hand op zijn schouder. Ze kijkt hem medelevend aan.
Liefde
Mathilde had ook van die helblauwe kijkers. Kijkers waar je jezelf in kon verliezen. Hij was op slag verliefd geworden op zijn Tilly, zoals hij haar altijd liefkozend noemde. En die liefde is gedurende hun zestigjarige huwelijk nooit meer verdwenen. Hij zwijgt, kijkt naar zijn gevouwen handen waarop knobbels door artrose zichtbaar zijn.
‘De ouderdom komt met gebreken zegt men, en dat is bij mij niet anders,’ zegt hij tenslotte. ‘Gelukkig doet het fietsen me goed.’
‘Nou, ik krijg anders ook voldoende beweging,’ zegt het meisje opgewekt. Ik werk in het Koetshuis van het Kasteel en zet elke dag wel meer dan 12.000 stappen. In de bediening,’ vult ze trots aan. ‘Maar ik klaag niet hoor! Integendeel, ik ga altijd met plezier naar mijn werk. Ik word er blij van als ik het de gasten het naar hun zin kan maken.’
‘O ja?’ zegt hij.
Ze knikt. ‘Je weet nooit wat de dag brengt. Elke gast is anders, en dat vind ik juist zo leuk. En in zo’n prachtige omgeving… wie zou dit nu niet willen?’ Ze spreidt haar armen en gebaart naar de binnenplaats van het kasteel.
Verwelkomen
Hij knikt bevestigend en wrijft nog een keer in zijn handen. Het meisje kijkt op haar horloge en veert dan abrupt overeind.
‘Oh jee, het is al bijna tien uur! Ik had graag nog wat langer met u gesproken maar ik moet nu toch echt beginnen. Anders vraagt mijn bazin zich vast af waar ik blijf.’
Het meisje geeft hem snel nog een hand en wenst hem een prettige dag. ‘Trouwens, ik ben Britt.’
‘Aangenaam kennis te maken Britt. Ik ben Berend, Berend Zijlstra. Met een lange ij.’
‘Nou meneer Zijlstra met een lange ij,’ grijst ze, ‘waarom komt u anders niet even een kopje koffiedrinken in het Koetshuis? Het is vast al lekker warm bij ons. Ik trakteer!’
In zijn hoofd loopt hij zijn agenda na, een gewoonte uit zijn werkzame leven als boekhouder, maar de bladzijde van vandaag is verder leeg.
‘Koffietijd!’ zegt ze opgewekt en steekt monter haar arm door de zijne.