Adagietto in Oud-Zuid

Trauer – In het begin

In stilte luister ik naar de eerste klanken van de plechtige trompetfanfare uit Gustav Mahlers vijfde symfonie. Plotseling is het stil, zo stil dat ik me zelf kan horen ademen. Opgewonden hou ik mijn adem in en tel af tot het orkest in vol ornaat van zich laat horen en ik me opnieuw mee laat voeren op een golf van muziek. Ik hoor de sprankelende tonen van de harp, en ook de strijkers voegen zich erbij, een teken voor het orkest om uit zijn droom te ontwaken. In hetzelfde tempo als de noten van de muziek druppelen pareltjes zweet op het voorhoofd van dirigent Bernard Haitink.

Aandachtig neem ik deze muzikale erfenis in me op. Het biedt troost en geeft me houvast in een wereld die ik zo liefheb. Diezelfde geborgenheid voel ik in het eeuwenoude barokgebouw aan de Van Baerlestraat. De sierlijke architectuur, de deftig geklede mensen, het maakt dat ik me hier thuis voel. En straks, wanneer de laatste noten nog in onze oren naklinken, drinken we een glaasje champagne bij Brasserie Keizer. Keurig vergezeld van een schaaltje escargots à la Bourguignonne. Zoals het hoort in Oud-Zuid. Hopelijk zitten we weer in de serre, met uitzicht op het Museumplein en zijn nietsvermoedende voorbijgangers.

Stürmisch – De storm ontwaakt

‘Mevrouw Vanderwalle, word wakker!’ klonk de opgewekte stem van de verpleegkundige. ‘U hebt lekker even gerust tussen de middag, maar nu is het tijd om uit bed te komen. Anders maken we van de dag een nacht, en dat is niet de bedoeling, toch? Kijkt u eens, ik heb hier al een beetje appelmoes met uw medicijnen.” Ik kijk omhoog, staar haar niet begrijpend aan en zeg: ‘Wat zegt u, mejuffrouw? Appelmoes? Nee, dank u, zuster. Ik hou niet zo van appelmoes.’ De verpleegster zet me rechtop in bed en zegt: ‘Ach, het is maar een klein beetje en het helpt u wat makkelijker uw medicijnen door te slikken. Ziezo, kom ik straks weer even terug om u uit bed te helpen.’

Verontwaardigd kijk ik haar aan. Wat zit ze nu aan me te trekken? Waarom laten ze me niet gewoon met rust? Ik ben moe, zo vreselijk moe. Ik ga gewoon weer lekker slapen. Dan hoor ik een deurbel. Hij klinkt als de schelle trompet waarmee Mahlers vijfde symfonie begint. Nu moet ik me nog haasten ook. Waar is mijn rollator? Hé verdorie, hoe kan dat nu? Hij staat altijd naast mijn bed! ‘Ja,’ zeg ik. ‘Een ogenblik alstublieft. Ik kom eraan hoor. Ik moet even de voordeur opendoen!’ Met mijn tachtig levensjaren ben ik ook de jongste niet meer. Kom op Henriette, zet de vaart er eens even in! Ik hoop maar dat ze nog even wachten, wie het dan ook mag zijn die voor mijn deur staat. Zelfs met mijn rollator ben ik niet meer zo snel. Die mensen kunnen natuurlijk ook niet weten dat ik gisteravond naar het concertgebouw ben geweest. Waar hangt Amber trouwens uit? Ik hoor haar helemaal niet miauwen. ‘Amber, lieverdje, poes, poes, poes!’

Scherzo – Het speelse hart

‘Zo, mevrouw Vanderwalle, doet u nu uw ogen maar open,’ zegt de verpleegster. ‘Nou, u moest van ver komen! Was u toch weer lekker aan het dromen? Mijn naam is Sidon, ik ben de verpleegster, herkent u me nu? Ik pak intussen even de tillift erbij, hoor. U weet inmiddels hoe het gaat, hè? Op drie mag u langzaam naar mij toe rollen, dan maak ik u vast.’ Ik staar haar aan. Hoor ik dit nu goed? Bedoelt ze dat ik het bed uit moet rollen? Het lijkt wel of mijn hoofd volgepropt zit met watten. O, wacht, ik snap het al. Ik krijg weer dat hele spektakel met die lift. Concentreer je, Henriette, kom op! ‘Nou eh… ik was gisterenavond naar een concert van Mahler, en de muziek was zo prachtig! En die klanken, de akoestiek van het Concertgebouw bedoel ik, dat is zó mooi, dat kun je je bijna niet voorstellen! En dan die muziek. Weet u zuster, Sidon bedoel ik, het is een hele doorleefde… hoe noem je dat nu ook alweer. Symfonie! Ja, zo heet het! Het is één van de menselijkste en intense symfonieën die ooit zijn geschreven.

‘Van wie zegt u? Maaler? Nee, dat is niet iemand die bij ons woont. Het Concertgebouw? Welnee, mevrouw Vanderwalle, u was gewoon hier bij ons, hoor! Misschien heeft u het gedroomd. U bedoelt denk ik de componist Mahler, nietwaar? Wat leuk dat u zo van muziek houdt. En zo te horen weet u er heel wat van.’ Ik blijf overeind in bed zitten en zeg: ‘Nou, weet u zuster, wat ik zo kunstig vind, is dat Mahler muziek componeert over de zin van het leven, zeg maar. En ik vind het zo knap dat een dirigent dat dan weer tot leven weet te brengen. Iedere generatie hoort er weer iets anders in. Zelfs mijn nichtje, die laatst bij me op bezoek was, zei dat ook. Mij biedt het vooral troost. Die middag hebben we trouwens ook nog samen een heerlijk advocaatje genuttigd. Ze bezoekt me elke week weet u.’

De verpleegster glimlacht. ‘Nou,’ zegt ze, ‘dan moet ik me misschien ook maar eens in Mahler gaan verdiepen. Of we luisteren er samen een keertje naar. Maar eerst gaan we u uit bed helpen. Kom maar, mevrouw Vanderwalle, ik heb de tillift gepakt. Nu gaan we de lucht in, hoor. U kunt een beetje gaan draaien, maar ik houd u tegen aan de linkerkant. Voelt u dat? U heeft daar nog een lichte dwangstand, waardoor u een beetje hangt.’
 ‘Noemt u dit de lucht in gaan?’ zeg ik lachend. ‘Ach, dit stelt niets voor vergeleken met die parachutesprong die ik heb gemaakt. Op m’n drieënvijftigste heb ik die nog gemaakt. Een duosprong, en ook nog eens met een hele knappe instructeur.”

Tevreden leun ik achterover. Ziezo, daar heeft ze niet van terug! Ik mag dan nu 82 jaar zijn, maar ik ben geen oud vrouwtje dat achter de geraniums zit te wachten tot ze vermaakt wordt. Ik heb de hele wereld gezien, en ons kikkerlandje zelfs vanuit de lucht! Verbaasd kijkt de verpleegster me aan. ‘Wat zegt u nu mevrouw? U heeft nog een parachutesprong gemaakt op uw 53ste?’ ‘Jazeker! Vanaf Texel, uit een vliegtuig. Vanaf 3000 meter hoogte. Zei u trouwens dat u Sidon heet? Dat klinkt Peruaans. Vroeger heb ik Machu Picchu bezocht. Ik heb toen zelfs de berg beklommen. Het was echt een prachtige tocht. Steil, maar dat uitzicht boven… onvergetelijk.’ ‘Nou, u bent me er eentje, mevrouw Vanderwalle. Wat een spannende verhalen allemaal. U heeft ook altijd wel iets te vertellen, hè? Geen wonder dat iedereen hier zo dol op u is.’

Pakt ze mij nu vast? Waarom beweegt mijn arm dan niet mee? Het is alsof hij niet verbonden is aan mijn lichaam. Dat is vreemd, ik voel geen enkele kracht. Hij lijkt wel verdoofd. Voor een seconde lijkt het wel of ik de krachtige toon van de hoorn uit het derde deel van Mahler hoor. Het is volgens mij de hoorn uit Scherzo, het derde deel uit de symfonie als ik me niet vergis. Weldra voegen de strijkers en de houtblazers zich erbij. En daarna komt het Adagietto, het vierde deel. Dat is mijn favoriet. Net als de vrije val in de eerste paar seconden toen we uit het vliegtuig sprongen en de parachute nog niet geopend was. Prachtig woord trouwens Adagietto. Alsof je zweeft in een droom of tussen twee werelden. Als ik mijn ogen sluit, zweef ik weer als een vrije vogel over het prachtige landschap van Noord-Holland. Hè verdorie, wat snijden die banden scherp in mijn knieholtes. Wat is het toch een toestand in dit ding. Ik kan maar beter snel terug naar huis gaan, voordat het erger wordt. Misschien moet ik een ontsnappingsplan bedenken.  Nou ja, Henriette, nu moet je niet overdrijven. Je kunt echt niet zomaar met rollator en al van het gebouw springen.

‘Zuster, misschien kunt u zo even een taxi voor me bellen? Hoe heet dat ook alweer? Een seniorentaxi, weet u wel? Ik woon in Zuid, Oud-Zuid. Kent u de Stadionpleinbuurt?’ De verpleegster strijkt over mijn arm en zegt: ‘Ach, lieve mevrouw Vanderwalle, u blijft gewoon lekker hier bij ons, goed? Moet u trouwens nog poepen? Anders kan ik u straks ook even op de steek zetten, hoor.’ Ik slik en staar haar zwijgend aan. Wat zegt ze nu? Of ik moet poepen? Vreselijk! Wat zal haar moeder daar wel niet van denken? ‘Ik hoop dat u me niet verkeerd begrijpt,’ zeg ik. ‘Maar ik noem het liever drukken. En ik hoef nog niet.’ ‘Wat u wilt,’ antwoordt de verpleegster.
‘En zuster, ik denk dat ik toch liever naar huis ga. Ik voel me daar…Tja, het is misschien niet zo aardig om te zeggen, maar ik voel me daar meer thuis. Deze kamer is wat klein vergeleken met mijn appartement en ik mis mijn kunst aan de muur. Mijn zus Ina schildert prachtige olieverfschilderijen, weet u. Dus als u het niet erg vindt, Sidon toch? Wilt u dan een taxi te bellen? Het ligt echt niet aan u hoor, u bent alleraardigst.’ Sidon kijkt me vertederd aan. Ze heeft wel mooi blauwe ogen. Dezelfde kleur als die van Ina. Ik heb Ina trouwens al lang niet meer gezien. Ze had gezegd dat ze snel weer zou komen. Misschien kunnen we dan ook weer eens samen naar de Bijenkorf gaan. Dat is al zo lang geleden. Ik zal haar zo eens even bellen. Ik probeer op te staan en zeg: ‘Zuster, heeft u trouwens mijn eh, rollator gezien? En ik zoek mijn, hoe noem je dat, waar ik mee kan bellen. O ja, mobiel. Volgens mij ligt die op mijn nachtkastje.’

De deur gaat open en een andere dame komt mijn kamer binnenlopen. Nou ja, loopt ze nu op blote voeten achter de rollator en met haar sloffen in het mandje ervoor? Ze is niet goed snik! Heeft ze nu mijn blauwe vest aan? Dat is mijn lievelingsvest met die warme kraag. Hoe durft ze! Is ze nu helemaal betoeterd? Ik ga het direct tegen de zuster zeggen. Dit kan echt niet! Ik grijp de arm van de verpleegster vast: ‘Zuster, die mevrouw tegenover mij heeft denk ik kleding uit mijn kledingkast gepakt. Dat is mijn… vest, ja ze heeft mijn vest aan!’ ‘Komt goed mevrouw, ik zal straks uw kledingkast even controleren. Misschien heeft uw kamergenote toevallig ook een blauw vest. Zal ik u naar de huiskamer brengen? Er is vanmiddag na de lunch ook een muziekactiviteit met livemuziek en ik denk dat u dat heel leuk zult vinden! Misschien wel niet helemaal zoals Mahler het zou hebben gemaakt, maar in ieder geval is het levendige muziek!’ De verpleegster geeft een klein kneepje in mijn hand en kijkt me aan met een zachte blik in haar ogen. Ja, ja, dat zal best, denk ik. Ze kan me nog zo lief aankijken en het allemaal goed bedoelen, maar ik wil helemaal niet naar de huiskamer. Ik wil naar huis! Welk deel hiervan begrijpt ze niet? Ik kan prima met de scootmobiel naar het Concertgebouw. Dat doe ik altijd!

Adagietto – Rust en liefde

Beheerst duwt Sidon me al verder de gang op en de huiskamer in. ‘Zo, zet ik u hier aan tafel bij de andere mensen. Gezellig toch? O, wacht, ik pak nog even uw drinkbeker. U mag wat appelsap proberen. Met een beetje fantasie lijkt het net wijn, nietwaar mevrouw van Vanderwalle?’ Ze grinnikt en geeft me een liefdevol tapje op mijn schouder. Appelsap. Appelsap, in een tuitbeker. Ik vind appelsap niet eens lekker. En zeker niet lauwwarm. Was het maar een glaasje gekoelde Pinot Grigio! Kijk ons nu zitten met z’n allen. Er heerst een vreemde stilte in deze huiskamer, kalm maar de emoties op de gezichten van mijn medebewoners zijn haast apathisch. Misschien moet ik de vrolijke zuster van net toch vragen of ze Mahler op willen zetten. De violen en de cello’s kunnen dit gezelschap misschien hoop en verlangen bieden. Verlangen naar betere tijden in een verloren wereld die eens was. Gut, daar heb je de Major ook weer. Zal zijn vrouw zo wel weer komen om z’n gebit in te duwen. Tegenwoordig is zij de baas. Zijn gebit past niet meer. Dat zie je zo. Hij wil het niet in en toch gaat ze net zolang door tot het haar lukt of hij zijn geduld verliest. Het schouwspel tussen twee mensen die elkaar niet meer begrijpen. O, wacht eens even, daar zit aan de andere tafel die aardige dame. Mevrouw Bouchard heette ze, geloof ik. Ze is van Franse komaf, vertelde ze me een paar dagen geleden tijdens een alleraardigst onderonsje. We vervolgden ons gesprek zelfs in het Frans. Wat was het heerlijk om die taal weer even te spreken!

Ik kijk op naar de verpleegster. ‘Dame! Kunt u mij misschien aan die tafel plaatsen, naast mevrouw Bouchard? Bedankt hoor!’ De verpleegster zegt iets maar ik versta haar antwoord niet. Waarom zetten ze die muziek zo hard? O, help, het is niet waar! Het is toch geen André Rieu? Nee toch, dat weiger ik pertinent! ‘Zuster!’ zeg ik dan. ‘Mag ik anders naar mijn kamer?’ ‘Nou, we gaan eerst straks nog even eten hier, mevrouw Vanderwalle. Daarna breng ik u naar uw kamer. Lekker aardappelpuree met prei en u mag zelfs weer een stukje kipfilet proberen!’ ‘Ja maar, ik heb nog geen trek in een warme maaltijd. Ik eet thuis pas veel later.’ Ik zucht en schud mijn hoofd. Ik heb het mijn hele leven alleen gered. De hele wereld heb ik gezien. Ik heb aan de Sorbonne in Parijs gestudeerd, een rondreis kriskras door Peru gemaakt, Lebanon en Beiroet bezocht en ik spreek vloeiend Engels, Frans en een klein woordje Japans. Ik ben toch potverdorie geen tweeëntachtig geworden om hier een beetje suf te zitten verpieteren? In mijn handtas zoek ik naar het nummer van de Valys-taxi. Dan draai ik mij om. ‘Mevrouw Bouchard, kunt u mij eh, misschien helpen? Ik betaal u ervoor hoor. Ik wil graag naar huis.’ Al is het maar voor één nachtje, ik kan het altijd proberen en als het niet lukt kom ik terug. Ik heb immers niet voor niets een hoog-laagbed. Zei de verpleegster vanmorgen dat ik niet meer kon lopen? Nou, ik red het anders prima nog achter de rollator. En als ik val, zie ik het dan wel weer. Desnoods schuif ik op mijn bibs door de flat.

‘Eh zuster, kunt u me misschien uit deze rolstoel helpen?’ Waar is ze nu gebleven? Heeft ze ons nu gewoon helemaal alleen gelaten hier? Dat lijkt toch nergens op! Dan zit er niets anders op, nu moet ik wel overgaan naar het tweede deel van mijn ontsnappingsplan. Als de muziek die de film ondersteunt wanneer het spannend wordt, hoor ik hoe de strijkers en koperblazers zich verzamelen aan de poort van mijn kracht. Opnieuw geeft de melodie van Mahler me een gevoel van overwinning. Als niemand mij wil helpen, dan sta ik zelf wel op. Ik sta op de rand van mijn grote ontsnapping en laat me door niets en niemand meer tegenhouden. ‘Veuillez m’excuser, Madame Bouchard, het spijt me maar ik ga u verlaten. Ik wens u het allerbeste hoor, maar ik ga terug naar huis. Vriendelijk bedankt voor alles. Je vous souhaite une bonne continuation.’

Rondo – Het slot / Loslaten

De muziek zwelt weer aan en de harp wordt ingezet om glans aan het geheel te geven, maar ik weet dat het nu niet lang meer zal duren voordat het grote slagwerk zich aandient. Terwijl het orkest uitbarst in een triomfantelijk hoogtepunt, lukt het me om vanuit de rolstoel op te staan, vol energie en overgave. Ik moet me tot het uiterste concentreren om mijn evenwicht te bewaren. Hoewel het slechts een paar seconden duurt, is het gevoel van overwinning ongelooflijk. Met trillende armen van inspanning steun ik op de armleuning van de rolstoel, terwijl mijn bloed als een bezetene door mijn aderen wordt rondgepompt. Mijn hart bonst in hetzelfde ritme als de slag van de grote trom, en pijnscheuten schieten door mijn hoofd. Ik hoor hoe de mensen om mij heen luid en juichend applaudisseren, terwijl de donderende pauken steeds zwaarder klinken. Ineens is het doodstil. Een hard en doordringend geluid van de trom daalt onverbiddelijk op me neer. Alles versnelt, maar ik val stil, letterlijk. Mijn lichaam trilt, de wereld kantelt, het wordt zwart voor mijn ogen. Ik voel me tegelijk vallen en zweven, gevangen in de ijle strijkers. In de verte echoën stemmen: de zuster, die vriendelijke Franse mevrouw. Ik spreek, maar zij horen me niet. Misschien willen ze me ook niet horen. Dit is het deel van Mahlers vijfde waar ruimte en tijd oplossen. Ze denken vast dat die oude dame uit Oud-Zuid gek is, maar laat ze maar denken, ik weet wel beter. In mijn ontsnappingsplan heb ik al helemaal uitgedokterd hoe het moet. Ik ga terug naar mijn eigen wereld. Ik moet trouwens niet vergeten Ina te bellen voor die voorstelling in het Concertgebouw. Ze is dol op Mahler.